De essentiële vraag: over welk kapitaal moet je beschikken als je op pensioen gaat?

De vergrijzing slaat toe. We zullen dus met zijn allen langer leven zonder inkomsten uit ons werk. De enige inkomsten die we dan hebben komen uit het pensioen, en uit ons spaargeld. Ook de woning die we dan bezitten kan een bedrag vertegenwoordigen. Maar hoeveel zouden we moeten hebben?

Hoe kunnen we een schatting maken van wat we nodig zullen hebben? 


1. Het pensioen

We leven met zijn allen langer. Maar door de baby-boom van de jaren zestig, de lagere geboortecijfer en de hogere levensduur is de verhouding werkenden-gepensioneerden scheefgegroeid. 

Het wettellijk pensioen komt onder druk te staan. 

De studiecommissie voor de vergrijzing geeft jaarlijks een verslag over de stand van zaken. Ze gebruikt verschillende hypothesen om de evolutie van de kost van het wettelijk pensioen te schatten. Jaar na jaar ziet de toestand er slechter uit: de hypothesen worden bijgesteld en de kost van het wettelijk pensioen wordt steeds groter dan wat de vorige jaren werd geschat. In 2002 dacht men dat de kost van de  vergrijzing in 2030 24,7% van het binnenlands product zou bedragen, in 2010 is dit cijfer al opgelopen tot 29,2% (ofwel zowat 14,8 miljard euro meer). 


Gevolg: voor het wettelijk pensioen zal je in de toekomst niet meer moeten verwachten dan 30 to 40% van je loon. Zeker voor iemand die nog een tijdje moet werken voor zijn pensioen. 12,8% van de bevolking heeft nog een groepsverzekering of pensioenfonds. Dan kan dit samen met het wettelijk pensioen ergens liggen tussen 45 tot 60% van het loon. 


2. Het overlevingsrisico

Vrouwen leven langer dan mannen. Ze huwen doorgaans een man die 3 jaar ouder is. Daarom zijn 46% van de vrouwen ouder dan 65 jaar weduwe, en slechts 14% van de mannen zijn weduwe na 65 jaar. Het wettelijk pensioen voor de overlevende partner blijft doorgaans niet gelijk. Je kan uitgaan van een daling van het pensioen met ongeveer 20%. 


3. Gezondheidskosten

Kosten voor gezondheid (doktersbezoeken, hospitalisatie, chirugische ingrepen voor mobiliteit,...) op hogere leeftijd stijgen snel: boven de leeftijd van 60 jaar is de kost 3 maal zo groot dan gemiddeld voor 60 jaar

Door de toenemende vergrijzing (dus steeds meer ouderen) zal deze kost steeds toenemen en stelt zich de vraag of de sociale zekerheid steeds zo zal blijven tussenkomen zoals vandaag de dag het geval is

Het is aangewezen om ervan uit te gaan dat dit vermoedelijk niet zal kunnen volgehouden worden. 


4. Afhankelijkheidskosten

Afhankelijkheid is nog erg onderschat vandaag. Afhankelijkheid staat voor de beperking van de mobiliteit die u niet meer in staat stelt zelf een aantal essentiële handelingen te stellen in het dagelijkse leven bijvoorbeeld zich wassen, aankleden, behoeften zelfstandig kunnen doen... Je moet dan beroep doen op anderen om je te helpen bij die essentiële zaken. De sociale zekerheid kent dit begrip niet: u zal dus niet op de sociale zekerheid kunnen rekenen. Je bent immers nog goed (dit wil zeggen niet ziek) en hiervoor heeft de sociale zekerheid niets voorzien. Moet je beroep doen op externe hulp, sta je zelf in voor die kosten. De Vlaamse gemeenschap heeft een verplichte afhankelijkheidsverzekering ingevoerd. Iedereen betaalt hiervoor 25 euro per jaar. 


Besluit: het mag duidelijk zijn dat de betaling van deze kosten vanuit het wettelijk pensioen onmogelijk is. Iedereen zal dus een appeltje (of een kilo appeltjes) moeten bewaren voor later. Dit kan want naast de eerste pijler van het wettelijk pensioen kan je ook sparen via de tweede pijler, de derde pijler en de vierde pijler. Een must dus...