De eerste pijler: het wettelijk pensioen

De sociale zekerheid voorziet voor iedereen een wettelijk pensioen. Dit wettelijk pensioen is de basis voor iedereen en wordt de eerste pijler genoemd.

Bij de oprichting van de sociale zekerheid, die vorm kreeg na de 2de wereldoorlog, werd het wettelijk pensioen ingevoerd. 


Zoals in heel wat landen in Europa, baseerde men zich op het repartitiestelsel. In een repartitiestelsel betalen de werkende actieve bevolking bijdragen op hun loon. Die vormen de inkomsten voor de sociale zekerheid. Om de pensioenen uit te betalen, zal men die inkomsten dan uitbetalen aan de gepensioneerde bevolking


In dit systeem wordt dus niet gespaard: alle inkomsten worden uitgedeeld aan de gepensioneerden. Is er een overschot, dan komt dat ten goede van het budget van de staat. Is er een tekort, dan zal de staat dit bijbetalen door schulden aan te gaan


Wat zijn de gevolgen van dit systeem? 

- De inkomsten: hangen dus af van de werkende bevolking. In tijden van economische groei (zoals de periode van 1950-1980) is er maar beperkte werkloosheid, de lonen stijgen door de economische groei en dus groeien de inkomsten. Na 1980 zien we een groei-vertraging, er komt meer werkloosheid en dus staan de inkomsten onder druk. Wanneer er dus veel inkomsten zijn, hebben we een groei gekend van uitzonderingen voor bepaalde groepen gepensioneerden. Door sommigen vroeger aan en pensioen te helpen, door uitzonderingen toe te staan binnen bepaalde voorzieningen heeft de politiek ervoor gezorgd dat het wettelijk systeem ingewikkeld werd, ondoorzichtbaar, doorspekt met uitzonderingen. 

- De uitgaven: gaan naar de gepensioneerden. Tot de jaren 1980 heeft dit geen echt probleem gevormd. De economische groei was aanwezig, in de naoorlogse periode groeide het aantal gepensioneerden langzaam. De uit te betalen pensioenen waren lager dan de inkomsten. Tussen 1980-en 2010 zien we enkele fundamentele wijzigingen: het aantal gepensioneerden neemt toe door de baby-boomers die nu stillaan op pensioen gaan en de levensverwachting wordt alsmaar hoger. In de 20ste eeuw neemt de levensverwachting toe met ongeveer 30 jaar. Zodoende zijn er niet alleen meer gepensioneerden die moeten uitbetaald worden, ze leven elk nog eens langer. 

- Doordat de verhouding actieven (die voor de inkomsten zorgen) en gepensioneerden (die de uitgaven krijgen) zo erg verandert, betekent dit dat inkomsten dalen en uitgaven stijgen. Dus maakt de staat alsmaar meer schulden om de pensioenen nog te betalen. 


Zijn er oplossingen? 

Binnen dit systeem is het duidelijk dat de verhouding van actieven en gepensioneerden het best constant blijft. Dat is de enige garantie om het systeem leefbaar te houden. Vermits we steeds langer leven (en die evolutie is nog niet ten einde) is er geen andere oplossing dan de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar te verhogen zodat de verhouding actieven-gepensioneerden constant blijft

Doen we dit niet dan zal er altijd naar bijkomende middelen moeten worden gezocht. Gezien de recentelijke evolutie van de levensverwachting zouden we vandaag eerder van een pensioenleeftijd moeten spreken van 70 à 72 jaar dan van 65 jaar. Dit terwijl de werkelijke leeftijd waarop mensen vandaag op pensioen gaan rond de 61 à 62 jaar ligt. 

Een aantal landen hebben die stap al gezet en evolueren naar 67 jaar of hebben de pensioenleeftijd verbonden met de levensverwachting. 


Bestaan er andere pensioensystemen? 

Ja. Je kan je wettelijk pensioen aanvullen met oplossingen van de tweede, derde en vierde pijler. Al deze bijkomende oplossingen zijn kapitalisatiesystemen. Je spaart geld en krijgt op het einde een kapitaal. Er is geen relatie tussen actieven en gepensioneerden. Iedereen spaart voor zichzelf en zijn eigen pensioen. In sommige landen heeft men de onzekerheid van het repartitiestelsel gecombineerd met een kapitalisatiestelsel. 


Besluit: doordat het wettelijk pensioen voorzien in de sociale zekerheid een repartitiestelsel is, hangt het af van de verhouding actieven en gepensioneerden. Door een lagere economische groei, meer werkloosheid, een langere levensverwachting en meer gepensioneerden kan dit wettelijk pensioen in zijn huidige vorm niet overleven. Daarom moet elk land actie ondernemen om de aanpassingen uit te voeren. Wijzelf zullen dus niet anders kunnen dan langer te werken indien we het wettelijk pensioen in zijn huidige vorm willen behouden.